Uilen

Ransuil

Asio otus

Inhoud

De ransuil heeft een lengte van 31 cm en weegt 250 tot 300 gram. De spanwijdte bedraagt 84 tot 95 cm. Zeer opvallende kenmerken zijn de lange, vaak steil omhoog gerichte oorpluimen en de oranjegele ogen. De oorpluimen kunnen echter, wanneer de vogel niet gestoord wordt, bijna helemaal plat gelegd worden. Het verenkleed is aan de bovenkant geelbruin met donkere, op boomschors lijkende tekening, aan de onderkant licht roestgeel met opvallende, donkere lengtestrepen en fijne, donkere dwarsbanden. De geelwitte gezichtssluier is aan de zijkanten donker omrand, tussen de ogen door de scherphoekige voorhoofdbevedering en de witachtige wenkbrauwen, V-vormig onderbroken. Mannetjes en vrouwtjes zijn uiterlijk nauwelijks van elkaar te onderscheiden.

Gedrag

Ransuilen zijn vooral ‘s nachts actief. Ze verlaten tijdens de broedperiode het dagverblijf ongeveer een halfuur na zonsondergang, ten tijde van het grootbrengen van de jongen ook wel vroeger. Overdag zit de ransuil rechtop in een zeer slanke houding op een tak van een boom, dicht tegen de stam aan, waartegen hij met zijn schorskleurige veren nauwelijks afsteekt. In de herfst en winter leeft de ransuil vaak in troepen op gezamenlijke roestplaatsen met tot 30, in strenge winters soms meer dan 100 uilen. Het weg vliegen in de avond voor de jacht is dan meer afhankelijk van het afnemende licht dan van het tijdstip.

ransuil-kuikenVoortplanting

Annexeert een nest van een andere vogel of eekhorn. Broedtijd maart/april. Grootte van het nest 4-6 eieren, broedduur 24-28 dagen, nestperiode jongen 18-25 dagen. Vrouwtje broedt vanaf het eerste ei. Ransuilen zijn monogaam en zoeken elk seizoen een nieuwe partner.

Voedsel

Het voedsel bestaat voornamelijk uit muizen, maar ook kleine vogels, insekten, reptielen, amfibieën, vissen, krabben, wormen en weekdieren.

Geluid

Alarmroep ‘oewek’, ook aangeregen; klagend, zuchtend ‘oe-oe-oe’, ook keffende en jammerende geluiden. Bedelroep van de jongen, langgerekt, ver hoorbaar ‘pieieiei-eh”.

ransuilVerspreiding

Moerassen, vochtige weiden, verlandingszones, toendra, duinen. De ransuil komt voor in bosachtige gebieden met naaldbomen en open terreinen. In de winter verblijven ransuilen graag in elkaars gezelschap. In hun roestplaatsen (naaldbomen, struiken, wilde hagen) rusten ze soms in grote groepen tot wel 100 exemplaren.

Vlucht

Vliegbeeld gekenmerkt door de smalle, lange vleugels en de dikke kop. Typische zwakke en schommelende vlucht.

Tags
Toon meer

Gerelateerde artikelen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to top button
Sluiten