Vissen

Zonnebaars

Lepomis gibbosus

Inhoud

De zonnebaars is een hoogruggige, bontgekleurde vis met kleine mondspleet en een lange, ongedeelde rugvin, deze in de voorste helft met stekelstralen. Het lichaam van de zonnebaars is zijdelings samengedrukt, bij oude dieren haast schijfvormig. De lengte is maximaal 25 cm. Kop kort en hoog, met kleine, eindstandige of iets naar boven gerichte mondspleet, die niet tot onder het oog reikt. Kieuwdeksel van achteren met een afgerond, ‘oorvormig’ aanhangsel waarop een zwarte, roodgerande vlek zichtbaar is. Middelgrote ctenoïdschubben; zijlijn volledig ontwikkeld. Rugvin ongedeeld, de voorste helft met stekelstralen; ook de buik- en aarsvin worden door enkele stekelstralen voorafgegaan.

Mannetje in de paaitijd op de rug mooi groen-goudkleurig met roodbruine marmertekening, op de flanken geelgroen met roodbruine en glinsterend blauwe vlekjes, op de buik roodbruin tot oranje; de kop dan met blauwe of groenachtige, glinsterende overlangse strepen en de al beschreven ‘oorvlek’; ook het achterste rugvindeel gevlekt.

Vrouwtje veel bleker gekleurd, evenals het mannetje buiten de paaitijd. 36 tot 47 schubben in de langste rij. Vinstralen: rugvin X/1O tot 12, aarsvin 1l1/8 tot 12, borstvin 11-14.

Verwisselbare soorten

In Europa is de zonnebaars alleen te verwarren met andere in gevoerde Lepomis-soorten (zie onder Verwante soorten).

Leefwijze en biotoop

Roodborstzonnebaars
Roodborstzonnebaars

Deze vis stamt uit oostelijk Noord-Amerika, waar hij wegens zijn opvallende kieuwdekselvlek als pumpkinseed’ (pompoenpit) bekend staat. Hij bewoont kleine, ondiepe meren en plassen, maar ook rustige, dichtbegroeide oevergedeelten van rivieren en grotere meren; het water moet helder zijn. Zonnebaarzen houden zich meestal op een diepte van 1 – 2 m op, maar ‘s winters trekken ze zich in dieper water terug. Ze eten allerlei kleine waterdieren, aanvliegende insecten en ook viskuit en jongbroed van vissen. In wateren met weinig roofvijanden ontwikkelen zich vaak klein blijvende kommervormen, die talrijk kunnen zijn.

In de paaitijd (in mei en juni, bij watertemperaturen boven 16 C) maken de mannetjes op zonbeschenen plekjes kuilen in het zand; ze verdedigen daaromheen een territorium, al kunnen de dieren op geschikte plaatsen dicht bij elkaar wonen. Meestal vindt men zulke ‘broedkolonies’ in ondiep water (15 – 50 cm) in de buurt van dichte vegetatie. Soms worden gemengde kolonies gevormd met andere Lepomis-soorten (er zijn er ongeveer 10), wat vaak tot het ontstaan van bastaarden leidt. De balts en de eiafzetting vinden alleen bij zonnig weer plaats, wanneer de blauwe en groene kleurpatronen van het wateren het mooist tot uitdrukking komen. Aan dit opvallende gedrag dankt de hele familie zijn naam.

Een vrouwtje legt maximaal ongeveer 5000 eieren, die al na 2 tot 3 dagen uitkomen; het broed wordt door het mannetje bewaakt tot de jongen vrij zwemmen. Meestal wordt de zonnebaars na 2 jaar geslachtsrijp. Ze kunnen meer dan 10 jaar oud worden. De zonnebaars werd al aan het eind van de l9 de eeuw in Europa ingevoerd en heeft zich later in talrijke Europese wateren verbreid. Hij werd deels planmatig uitgezet (als ‘verrijking’ voor de kennelijk als ontoereikend beschouwde inheemse fauna), maar ook zijn dieren uit vijvers en aquaria verwilderd (ofwel gewoon in de sloot gegooid).

In Nederland komt hij in hoofdzaak in Noord-Brabant voor, en er zijn grote, stabiele bestanden in Zuid- Duitsland. Vooral in Zuidwest-Duitsland, met zijn zachte winters, is de uitbreiding nog in volle gang: in 1988 werd hij voor het eerst in het Bodenmeer waargenomen. In Noord-Duitsland komt hij sporadisch voor, en nooit in grote populaties. Of men vroeger ook economische verwachtingen van de zonnebaars heeft gehad, blijft in nevelen gehuld; in elk geval heeft hij ook in de vs door zijn kleine maat geen handelswaarde of zelfs maar nut voor de hengelaar. In elk geval zijn zulke verwachtingen, mochten ze bestaan hebben, nooit vervuld, integendeel; de zonnebaars vormt in veel wateren nu een gevaarlijke concurrent voor de inheemse vissoorten.

groene-zonnebaars
Groene zonnebaars

Verspreiding

Zuidoost-Canada en het noordoosten van de VS (zuidwaarts tot Georgia); talrijk, maar lokaal beperkte populaties in West-, Midden- en Oost-Europa.

Verwante soorten

Behalve L. gibbosus zijn nog enkele andere Lepomis soorten in Europa uitgezet; of die zich in de vrije natuur hebben gehandhaafd, en waar dan wel, is nog onduidelijk. De Roodborstzonnebaars (Lepomis auritus) uit de oostelijke kustgebieden van de VS leeft daar meestal in langzaam stromende wateren met een bodem van grind of rotsen. Hij is te herkennen aan de lange ‘oren’ aan de achterrand van het kieuwdeksel, die een zwarte vlek zonder lichtgekleurde rand dragen.

De Groene zonnebaars (Lepomis cyanellus) uit het Mississippi-stroomgebied heeft een diepere mondspleet (tot onder het oog), en is krachtiger gebouwd dan de andere soorten; achter in de rug- en aarsvin is meestal een donkere vlek te zien. Deze soort is tolerant voor ongunstige milieu-omstandigheden en kan ook in zuurstofarme poelen en moerassen leven.

Tags
Toon meer

Gerelateerde artikelen

1 reactie

  1. zojuist een mannetjes zonnebaars gevangen (en teruggezet) in Eindhoven / Meerhoven.
    Erg mooi visje om te zien, ik wist niet wat het was vandaag even op google

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to top button
Sluiten