Vissen

Snoekbaars

Sander lucioperca

De snoekbaars is een grote, langgerekte, zijdelings weinig samengedrukte vis met een diepe mondspleet en een tweedelige rugvin, het voorste deel daarvan stekelig en heeft een lengte van 40 tot 70 cm tot maximaal 1,3 meter. De kop is lang en spits. Mondspleet eindstandig, diep (tot achter de ogen reikend); kaken met enkele grote grijptanden tussen talrijke kleine tanden. Kieuwdeksel van achteren met een kleine, onopvallende doorn. Kleine ctenoïdschubben; zijlijn volledig ontwikkeld. Rugvin gedeeld, de beide delen lang en hoog, het voorste deel alleen met stekelstralen, het achterste deel weekstralig maar met een enkele stekelstraal aan de voorrand, net als bij de buik- en aarsvin. Rug donkergrijs tot olijfkleurig, flanken lichter grijs, buik witachtig; jonge dieren met 8 tot 10 duidelijke, donkere dwarsbanden die op latere leeftijd vervagen. Rug-, aars- en staartvin met talrijke donkere stippen en vlekjes. 75 tot 100 schubben op de zijlijn. Vinstralen: voorste rugvin Xlll-XV, achterste rugvin 1-11/19- 23, aarsvin 11/11-13, borstvin 15-16, buikvin 1/5.

Verwisselbare soorten

De Baars (Perca fluviatilis) is meer gedrongen van vorm en heeft geen stipjes op de vinnen. Zingel-soorten hebben een kleine bek, een lange, dunne staartsteel en ook weer ongevlekte vinnen. De Amerikaanse baarzen (Micropterus salmoides en M. dolomieu) zijn meer gedrongen en hebben kortere, ongedeelde of dicht bijeenstaande rugvinnen.

Leefwijze en biotoop

In de gestrekte lichaamsvorm en de lange, met grote tanden toegeruste kaken lijkt de snoekbaars op de Snoek, zoals ook in de naam tot uitdrukking komt. Anders dan de snoek jaagt de snoekbaars echter in open water. Hij komt vooral in grotere meren en in langzaam stromende rivieren voor, maar hij dringt ook door in het brakke water van estuaria en in de haffen langs de Oostzee. Zuurstofarme, ondiepe wateren met zachte bodem worden gemeden.

De snoekbaars is nogal lichtschuw; men vindt hem vooral in troebel water, op 2 tot 3 m diepte, waar ze solitair leven; vaak staan ze, loerend op prooi, in de buurt van opvallende bodemstructuren (rotsen, boomwortels ed.). In helder water trekken ze zich naar diepten van meer dan 5 m terug. Ze mijden de ondiepten bij de oever, en ook wagen ze zich alleen in de schemering in de bovenste waterlagen. Anders dan de Snoek, die prooien aankan die haast zo groot zijn als hijzelf, is de snoekbaars op kleine prooivissen gespecialiseerd; ook grote exemplaren eten zelden vissen van meer dan 10 cm lengte.

In Alpenmeren leeft de snoekbaars in hoofdzaak van jonge Coregonus soorten, in riviermonden en in de Oostzee zijn Spiering (Osmerus eperlanus) en Pos (Gymnocephalus cernuus) de voornaamste prooi. In andere wateren leven snoekbaarzen vooral van Alvers (Alburnus alburnus) en jonge exemplaren van andere karperachtigen; omdat deze zich meestal bij de oever of aan het oppervlak ophouden, jaagt de snoekbaars daar waarschijnlijk pas als de avond begint te vallen.

Snoekbaarzen paaien in april en mei, als de watertemperatuur boven 10 °C is gekomen. Aan de paaiplaatsen worden hoge eisen gesteld; meestal liggen ze in ondiep water nabij de oever (waterdiepte ca. 1,5 m), waar de bodem schoon is. Vaak worden de eieren in klompen aan losgewoelde boomwortels of aan bijeengedreven takken afgezet. Het mannetje maakt het afzetsubstraat tevoren schoon en bouwt er vaak een soort nest van. Een enkel vrouwtje kan meer dan 200000 eieren produceren. Het legsel wordt tot het moment van uitkomen door het mannetje bewaakt en door waaieren met de borstvinnen van vers water voorzien.

In de voortplantingstijd eten snoekbaarzen niet. Het broedsucces kan van jaar tot jaar sterk verschillen, wat vermoedelijk met de weersomstandigheden samenhangt. De jonge visjes eten in het begin zoöplankton (vooral kleine kreeft-achtigen), maar vallen al gauw jongen van andere vissoorten aan. Is het voedselaanbod groot, dan kunnen ze aan het eind van de eerste zomer al 10 cm lang zijn. Geslachtsrijp worden ze na 2 – 5 jaar, bij een lengte van 30 tot 40 cm.

In kleinere wateren waar ook Snoek voorkomt, krijgt de laatste soort meestal de overhand; maar ook in wateren die wel geschikt lijken stort de populatie van de uitgezette Snoekbaars vaak na enkele jaren om onbekende redenen in, ook als eerder goede groei optrad. De oorzaak moet waarschijnlijk gezocht worden in verschuivingen in het spectrum van prooidieren.

In Midden- Europa is de snoekbaars verder nergens in zijn voortbestaan bedreigd; hij is zelfs vaak ingeburgerd op plaatsen waar hij vroeger zelden of nooit voorkwam. Waar de vissen zich nog langs natuurlijke weg voortplanten is niet meer zo duidelijk, omdat de soort bijna overal ook wordt uitgezet.

Verspreiding

Oorspronkelijk is de snoekbaars inheems van het Aral-bekken tot het stroomgebied van de Elbe; thans door uitzetting verbreid tot Frankrijk, Spanje en Engeland.

Verwante soorten

De Wolgasnoekbaars (Sander volgensis) is een riviervis uit de Donau (westwaarts ongeveer tot Wenen) en de rivieren aan de noord kant van de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. De soort is altijd al zeldzaam geweest; over zijn leefwijze is weinig bekend. Hij leeft blijkbaar vooral in de hoofdstroom en eet kleine vissen. Hij verschilt van onze Snoekbaars door de hogere, zeilvormige voorste rugvin, het gemis van lange vangtanden op de kaken, een geringere grootte (25-35, maximaal 40 cm) en grotere schubben (70 tot 73 op de zijlijn).

De Zeesnoekbaars (S. marinus) leeft in brak water aan de noordkant van de Zwarte Zee en wordt ook in het zuiden van de Kaspische Zee gevonden. Hij komt alleen naar de rivieren om te paaien, in april en mei. Hij leeft in hoofdzaak van kleine bodemvissen, vooral grondels. Hij blijft kleiner dan onze Snoekbaars (maximaal 60 cm), en de vinnen hebben geen donkere tekening, afgezien van een grote, zwarte vlek bij de achterrand van de voorste rugvin.

Toon meer

Gerelateerde artikelen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to top button
Sluiten