Vissen

Beschrijving vissen

Levenswijze

De leefwijze en de verspreiding van vissen worden sterk bepaald door de watertemperatuur. Vissen die zich gemakkelijk aan verschillende temperaturen aanpassen noemt men eurytherm. Vele van onze zoetwatervissen kunnen grote temperatuurverschillen verdragen. Daarentegen kunnen stenotherme vissen alleen binnen nauwe temperatuurgrenzen leven; ze verdragen grote schommelingen slecht.

bronforel
Bronforel

Men vindt zowel vissen die stenotherm zijn in het koude gebied (bijv. bewoners van bergbeken), maar ook soorten die beslist warm water nodig hebben; bij veel vissoorten kan een voorkeurstemperatuur worden vastgesteld. Bij de Zonnebaars bedraagt die 20-32 °C. Jonge visjes van diverse soorten hebben het graag nog een paar graadjes warmer dan de volwassen dieren.

Vissen zijn poikilotherm (‘koudbloedig’) in koelere klimaatgebieden worden ze ‘s winters vaak minder actief. Ze eten dan minder of houden daar helemaal mee op. Zo houden Brasems en Barbelen een winterrust; de Giebel laat zich zelfs in het bodemslik invriezen en wordt pas in het volgende voorjaar wakker. Het invriezen heeft geen schadelijke gevolgen omdat de lichaamsvloeistof van de meeste vissen pas bij ongeveer 0.5 C° onder nul bevriest.

Het bioritme speelt bij de synchronisatie van de activiteiten van vissen vaak een belangrijke rol, zo bijvoorbeeld bij de dagelijkse voedselopname, bij het schoolgedrag en vooral bij trektochten in de paaitijd. Het getijdenritme heeft een dergelijke invloed op zeevissen, vooral bij soorten uit ondiep water.

Karper
Karper

Voortplanting

Vissen zijn (doorgaans) dieren van gescheiden geslacht en vertonen vaak een uitgesproken geslachtsdimorfisme, in de eerste plaats door grootteverschillen. Meestal zijn de vrouwtjes groter dan de mannetjes; soms is het onderscheid echter gering. Vaak hebben mannetjes grotere vinnen dan de vrouwtjes (bijv. de rugvin van de Vlagzalm, de buikvinnen van de Zeelt, de borstvinnen bij de Riviergrondel). Meer opvallende verschillen ziet men echter in de paartijd.

De vissen kunnen dan prachtig gekleurd zijn, en we spreken dan van een ‘bruiloftskleed’ (bijv. bij zalmen en forellen, Bittervoorn en Driedoornige stekelbaars). Bij sommige vissen verandert de lichaamsvorm. Bij mannetjes van zalmen buigt de onderkaakspunt omhoog; bij veel forellen is dit kenmerk minder opvallend aanwezig.

Veel karperachtigen krijgen in de paartijd een korrelige paringsuitslag van harde, witte wratjes, die misschien de wrijvingsweerstand bij de paring moeten verhogen. Een bijzondere aanpassing is de verlengde eileider bij vrouwtjes van de Bittervoorn in de paartijd; er ontstaat zo een legbuis waarmee de eitjes in de kieuwholte van zoetwatermosselen kunnen worden afgezet.

Buiten de paartijd zijn de geslachtsorganen van vissen zeer klein; als de paartijd begint, groeien ze sterk uit.
Bij het mannetje produceren ze zaad (sperma, homvocht), bij het vrouwtje worden eitjes (kuit) aangelegd.

europese-steur
Europese steur

Voeding

Vissen hebben alle voedselbronnen uit het water voor zich ontsloten. Er zijn extreme voedselspecialisten, naast soorten die een brede scala van voedselsoorten benutten, en ook kan de voeding per seizoen verschillen of met de lichaamsgrootte veranderen. Het voedselspectrum van vislarven is meestal totaal anders dan dat van de volwassen dieren.

Een consequente indeling van vissen op basis van hun voedingsgewoonten is niet mogelijk; de meeste soorten eten heel gevarieerd. Maar grofweg kan men planteneters, vleeseters en alleseters onderscheiden.

De planteneters vormen de kleinste groep; ze eten fytoplankton, grazen algen af of knabbelen aan jonge loten van waterplanten. Van onze inheemse vissen is alleen de Ruisvoorn een zuivere planteneter.

De meeste andere vissen eten naast plantenkost ook kleine diertjes (kleine kreeftachtigen, insectenlarven, wormen, slakken), die ze op de planten vinden.

De vleeseters kan men verdelen in microfage en macrofage soorten. De eerste zijn in de meerderheid; ze eten vooral insecten en hun larven, wormen, slakken, schelpdieren, kleine kreeftjes en allerlei ander dierlijk grut.

Macrofage soorten zijn de echte roofvissen; ze leven in hoofdzaak van vis, maar als de gelegenheid zich aanbiedt pakken ze ook wel andere kleine gewervelden (amfibieën, muizen, kleine watervogels).

Het voedsel is in het water niet gelijkmatig verdeeld; het moet worden gezocht of bejaagd. Voor dat probleem zien jonge visjes zich ook gesteld, zodra ze kunnen zwemmen en eten. Hun voedsel bestaat uit zeer kleine planktonorganismen (algen, kleine kreeftachtigen, raderdiertjes) en wordt met de ogen gelocaliseerd.

Ziekten

Ziekten herkennen bij vissen is niet eenvoudig, ook al niet omdat men tegenwoordig steeds meer rekening moet houden met de invloed van het milieu op de gezondheid van de dieren.
De vis is onderdeel van een bepaalde levensgemeenschap, en reeds de kleinste verstoring van het evenwicht dat zich daarin heeft ingesteld kan leiden tot beschadiging of het uitbreken van ziekte.

Toon meer

Gerelateerde artikelen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to top button
Sluiten