Hertachtigen

Rendier

Rangifer tarandus

Inhoud

Bij het rendier is de kop-romplengte 1,80 tot 2,20 m. De staartlengte is 10 tot 20 cm en het gewicht van het rendier bedraagt 80 – 220 kg. De vrouwtjes zijn iets kleiner en duidelijk lichter dan mannetjes. Beide geslachten hebben een gewei, bij vrouwtjes kleiner (zie schets onderaan). De zomervacht is bruin en de wintervacht dicht met lange haren, lichtbruin tot witachtig, vaak lichtgrijze halsmanen. De kalfjes hebben geen vlektekening.rendier-schets

Verspreiding

Het rendier komt niet in Nederland en België voor. Het rendier komt wel voor in de arctische zone van Eurazië en Amerika.

rendierLeefgebied

Het leefgebied van het rendier is de open toendra, bostoendra, en in de gebergte tot 2500 m hoogte.

Leefwijze

Het rendier is dagactief en vormt meestal kleine groepen, ‘s winters zijn er vaak kudden van meer dan 1000 dieren. De oude mannetjes zijn vaak solitair en seizoensgebonden migratie over grote afstanden, tijdens de bronsttijd verdedigt het mannetje de haremroedel met maximaal 20 vrouwtjes.

Voedsel

Het rendier eet voornamelijk grassen, kruiden, jonge loten, bladeren, korstmos en ook paddestoelen.

Voortplanting

De paartijd komt voor in de maanden september tot november. De draagtijd bedraagt 7 – 8 maanden en meestal wordt er 1 kalf geboren dat op de eerste dag na de geboorte lopen kan. Het kalf blijft minstens 1 jaar bij de moeder.

Rendieren trekken met het wisselen van de seizoenen langs dezelfde routes tussen zomer- en wintergebieden. Ze volgen hun aangeboren trekinstinct en verlaten in het voorjaar de bossen om naar de open toendragebieden in het noorden te trekken. Ze leggen daarbij afstanden van meer dan 500, soms zelfs 1000 km af.

rendier-geweiVanuit de bossen komen de verschillende roedels bij elkaar en trekken in lange rijen verder. Op deze voorjaarstrek worden de kalveren geboren. Al na enkele uren kunnen ze de moeder volgen. Als de kudden de velden van de toendra bereikt hebben, vallen ze weer in kleine groepen uiteen.

De tijdens de winter sterk vermagerde dieren zwelgen nu in een overvloed aan voedsel. Kieskeurig zoeken ze de planten met de hoogste voedingswaarde uit: jonge loten, knoppen, bloemen en bladeren. Tijdens de zomer wijken ze voor de ontelbare bloedzuigende insecten uit naar kustgebieden van de Noordelijke IJszee of naar hoger gelegen gebieden met wind. Tegen het einde van de korte poolzomer verzamelen ze zich weer voor de trek naar de bosrijke gebieden in het zuiden, waar ze bescherming zoeken tegen de felle winterstormen en de strenge vorst.

Het is in deze periode veel moeilijker om genoeg voedsel te vinden. Met hun voorpoten schrapen ze de sneeuw weg, zelfs als ze er tot hun buik in staan, om bij hun “diepvriesmaaltijd” te komen. Men beweert dat rendieren hun lievelingskostje, rendiermos (een korstmos), door een meter diepe laag sneeuw kunnen ruiken.

Al sedert honderden jaren houden Lappen, Finnen en verscheidene volkeren in Siberië gedomesticeerde rendieren als leverancier van vlees, leer en melk. Deze gedomesticeerde rendieren kunnen allerlei kleuren hebben: er zijn witte, donkerbruine en zelfs gevlekte exemplaren.

Tags
Toon meer

Gerelateerde artikelen

3 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Back to top button
Sluiten